De niet onderkende macht van woorden

Het was in een klein Oost-Europees stadje dat een man steeds kwaad sprak over de rabbijn. Op een dag kreeg hij spijt en vroeg de rabbijn om vergeving. Hij was bereid tot elke vorm van boetedoening. De rabbijn vroeg hem om een veren kussen open te snijden en de veertjes te verstrooien in de wind. Toen hij dat gedaan had, keerde hij terug en vroeg: 'ben ik nu vergeven?'

'Bijna', was het antwoord. 'Nog één ding, zoek de veertjes bij elkaar.'

'Maar dat is onmogelijk,' protesteerde de man. 'De wind heeft ze overal naartoe geblazen'.

'Precies,' antwoordde de rabbijn. 'Hoewel je oprecht het slechte dat je gedaan hebt wilt rechtzetten, is het onmogelijk om de schade die je woorden hebben aangericht te herstellen'.

Deze beroemde anekdote is een les over kwaadsprekerij en laat de macht van het woord zien.

 

 

Joseph Telushkin

Words That Hurt. Words that Heal: 

How to choose Words wisely and well


(Woorden die kwetsen. Woorden die helen: 

Hoe kiezen we woorden op een wijze en goede manier)

DE MENS ONDERSCHEIDT zich van de dieren doordat hij op een zelfbewuste wijze over zichzelf en over zijn omgeving kan nadenken. De mens is in die zin, zoals door Rodin treffend is uitgebeeld, een 'Denker'. Mens is trouwens afgeleid van het Latijnse woord 'mens' hetgeen' denkvermogen' betekent. Er is ook een verwantschap tussen 'mens' en de Sanskriet-woorden manas, manu en manushya. Het feit dat de mens zelfbewust kan denken, geeft hem ook een bijzondere verantwoordelijkheid. Hij kan kiezen tussen goede en slechte gedachten. Voor die keuze is de mens moreel en karmisch verantwoordelijk omdat de werkelijke oorzaak- en van al onze handelingen op het mentale gebied liggen: alle handelingen beginnen bewust of onbewust met een gedachte. De mens wordt wat hij denkt. Gedachten zijn ook de zielen van de woorden die we gebruiken. Woorden maken via spraak of schrift zichtbaar wat we denken, willen en voelen. De verantwoordelijkheid voor wat we denken strekt zich uit over wat we zeggen en de manier waarop we iets zeggen. Niet alleen de inhoud van de woorden die we gebruiken is karmisch gezien van belang en beïnvloedt onze omgeving -dat spreekt voor zich- maar ook de vorm waarin we iets tot uitdrukking brengen, heeft zijn eigen gevolgen. De intonatie, de articulatie en de snelheid of traagheid waarmee we spreken, is steeds ook een uiting van wat er zich werkelijk in ons innerlijk afspeelt. In de gewone psychologie wordt nauwelijks aandacht besteed aan de morele en spirituele waarde van het gebruik van woorden en welke schade woorden kunnen teweegbrengen. Sommige scholen prediken zelfs dat we al onze gevoelens moeten leren uiten ook al is dat kwetsend voor onze medemens. Wat dan met de gevoelens van onze medemens? We zijn ons niet altijd bewust van de invloed van de woorden die we gebruiken. Vaak zeggen we datgene waar het hart van vol is en hebben we er later spijt van. We zijn dan vergeten eerst de vraag te stellen welk 'hart' wil spreken en dat diegene tot wie of over wie we spreken ook een 'hart' heeft en niet slechts een praatpaal of een voorwerp van discussie is. De meest funeste wijze waarin onze onvoorzichtigheid met woorden zich uit, is zonder twijfel roddel en kwaadsprekerij. In de journalistiek wordt dit zelfs tot een kunst verheven. In het boek Words That Hurt. Words That Heal bespreekt de Amerikaanse rabbijn Joseph Telushkin verschillende ethische aspecten van de macht en het gebruik van woorden en staat hij in het bijzonder stil bij de oorzaken en gevolgen van roddel. Daar waar velen roddel als een tamelijk onschuldig tijdverdrijf beschouwen of in ieder geval zien als een onvermijdelijke vorm van menselijke communicatie, legt hij op scherpe maar ook op humoristische wijze bloot dat roddel helemaal niet zo onschuldig is en wel degelijk kan of zelfs moet worden vermeden. Hij stelt vast dat alle grote religies en filosofieën roddel streng afkeuren en dat niet voor niets door vrijwel iedere Wijsheidsleraar 'roddel' in één adem wordt genoemd met de meer bekende 'zonden' als moord, diefstal en overspel. Roddel kan iemands reputatie voor altijd 'doden' en via kwaadsprekerij 'steelt' men iemands goede naam en 'ontneemt' men iemands eergevoel en recht op verdediging. In het Engels spreekt men ook wel eens van 'character assassination'. Zoals een Talmudisch spreekwoord zegt: " de roddelaar staat in Syrië en doodt in Rome." Maar op één of andere manier is het vermijden van roddel uit het klassieke rijtje van universele ethische geboden en verboden verdwenen en is roddelen en kwaadsprekerij in onze moderne samenleving bijna 'normaal' geworden. De schrijver klaagt dit gebrek aan aandacht voor de woorden die we gebruiken aan en analyseert treffend hoe mensen vaak onbewust zich tot roddel of achterklap laten verleiden en welke beweegredenen daarachter kunnen zitten.

Welk belang schuilt er achter roddel? Een dief steelt iemands bezittingen omdat hij deze zelf wil hebben. Een roddelaar steelt iemands goede naam, maar wat verkrijgt hij? Duidelijk niets tast baar. Wat is dan het motief? De schrijver wijst er op dat de 'winst’ van het roddelen niet mag worden onderschat. De belangrijkste motivatie om te roddelen is dat het ons in staat stelt onze status of reputatie te verhogen door die van een ander te verlagen. Hij weer legt dan ook het oneigenlijke argument dat we niet zozeer roddelen om er zelf beter van te worden of om anderen kwaad te berokkenen maar omdat we zogezegd oprechte belangstelling zouden hebben in het interessante en boeiende leven van de mensen waarover we roddelen. Als dit zo zou zijn waarom spreken we dan nauwelijks over de goede dingen van iemands leven en vrijwel steeds over de slechte dingen. Het is in die zin veelzeggend dat we bijna altijd rod delen over onze 'gelijken' en onze 'superieuren' en vrijwel nooit over mensen die we als 'ondergeschikten' of als minder belangrijk dan onszelf beschouwen. We roddelen op het werk nooit over de poetsvrouw, maar wel over de baas en onze collega's, vooral wan neer we bewust of onbewust met deze collega's in een competitie zijn verwikkeld. Een andere verborgen motivatie van roddel schuilt in ijdelheid en in de behoefte naar erkenning en eigen waarde. Het hoeven dan zelfs geen negatieve roddels te zijn. In het boek geeft Telushkin een aantal voorbeelden van hoe we zelfs tegen wildvreemden vaak in de meest lovende woorden over onze 'vrienden' praten en meestal wanneer deze 'vrienden' een zekere status hebben of om een andere reden 'bijzonder' zijn. Hij laat zien dat de verborgen motivatie van deze vorm van roddel helaas soms ligt in het feit dat we op die manier kunnen laten zien dat we zelf toch ook wel heel bijzonder moeten zijn omdat de mensen waarover we spreken anders niet onze vrienden zouden zijn. Op die manier praten we eigenlijk toch over onszelf zonder dat we de slechte indruk geven dat we onszelf in het middelpunt van de belangstelling zetten. Telushkin wijst er op dat dit niet zo onschuldig is als het lijkt. In de eerste plaats is de persoon waarover we praten er niet bij. Dat de roddel 'positief' is maakt geen verschil. Integendeel, het kan zelfs bij de ontvanger(s) van de roddel een gevoel van jaloezie opwekken - met name wanneer deze ook bevriend is met de roddelaar - of het kan leiden tot een vals of over dreven positief beeld van de persoon waarover wordt gepraat. De 'vriend' of 'bekende' die het voorwerp van de roddel is, zit dan wel met een bepaald imago waaraan hij ongevraagd moet beantwoorden. In een gebrek aan eigenwaarde en de behoefte tot een zekere macht over anderen, schuilt vaak ook het verklappen van geheimen die ons zijn toevertrouwd. Dr. Samuel Johnson zei ooit: "De ijdelheid van het toevertrouwd krijgen van een geheim is vaak de hoofdreden om het te onthullen". Wanneer we een (positief of negatief) geheim doorvertellen bereiken we verschillende zaken tegelijk, zo stelt Telushkin vast. In de eerste plaats laten we zien hoe belangrijk en geliefd we wel niet zijn omdat iemand -vooral iemand met een goede naam - ons anders nooit een geheim zou hebben toe vertrouwd. Daarnaast strelen" we de ijdelheid van onze gesprekspartner door dit geheim in alle vertrouwen alleen aan hem door te vertellen en bevestigen zo op een oneerlijke manier onze vriendschappelijke relatie met deze persoon. En vooral laten we indirect blijken dat wij iets weten wat een ander niet weet zodat we kunnen laten merken dat we toch 'iets' beter zijn. Een andere"reden om te roddelen ligt in de behoefte tot emotionele wraak. We rodde len dan over een persoon die ons op één of andere manier heeft ge kwetst omdat we te laf zijn of niet in de (maatschappelijke) positie zitten het onderliggende probleem met deze persoon zelf uit te pra ten. Dan lopen we immers het risico opnieuw gekwetst te worden. Het is dan makkelijker troost te zoeken bij anderen in de hoop dat zij onze woede als gerechtvaardigd bestempelen. Deze vorm van roddel is bijzonder schadelijk omdat we willen dat anderen onze verontwaardiging, ergernis en woede delen zonder dat zij eigenlijk daartoe een reden hebben.

Telushkin legt niet alleen de psychologie van het roddelen bloot, hetgeen op zichzelf al belangrijk is omdat de -meeste roddels eerder uit onachtzaamheid en een gebrek aan zelfkennis ontstaan dan uit kwade wil. Hij slaagt er ook in om de ethische relevantie van het vermijden van roddel op bijna wetenschappelijke wijze duidelijk te maken. Wat het boek uniek maakt, is niet alleen de belangrijkheid van het onderwerp en de 'psychologische' benade ring ervan, maar dat de schrijver zich hoofdzakelijk baseert op de eeuwenoude joodse mystieke traditie, die veel belang hecht aan de macht van woorden. Er zijn verschillende joodse mystici en kabba listen die complete verhandelingen hebben geschreven over de ethica van het spreken. Zo wijdt de anonieme schrijver van de mid deleeuwse kabbalistische tekst Orhot Tzaddikim (De Wegen van de Rechtvaardigen) bijna een gans hoofdstuk aan de gevaren van het spreken. De joodse wijsheidstraditie ziet woorden als tastbare en uiterst krachtige 'dingen', als levende wezens. Eén van de Hebreeuwse termen voor woorden is trouwens' devarim' hetgeen ook 'dingen' betekent. Deze visie grijpt terug op de wijsheid ver borgen in de Bijbelse mythologie dat zelfs God 'woorden' nodig had om te scheppen: "en God zeide 'er zij licht' en er was licht." Vanuit dit metafysische gegeven worden door joodse kabbalisten allerlei psychologische en ethische regels afgeleid die we bijvoor beeld ook duidelijk terugvinden in de boeddhistische ethica.

Mede door zijn ervaring als geestelijk raadsman toont Telushkin de praktische waarde van het juiste spreken aan zonder moraliserend over te komen. Zo staat hij onder meer stil bij de vraag of het ethisch gezien enig verschil maakt of wat we over iemand zeggen waar is of niet. Hij stelt vast dat de meeste mensen roddelpraat minder of zelfs niet moreel verwerpelijk vinden wan neer de negatieve informatie die over iemand wordt verteld waarheidsgetrouw en accuraat is. De joodse traditie noemt dit lashon ha-ra, het verkondigen van schadelijke waarheden, wat zich onderscheidt van motzi shem-ra, het vertellen van schadelijke leu gens of laster. Op het eerste gezicht is laster inderdaad schadelijker dan het verspreiden van een pijnlijke waarheid. Via laster versprei den we immers leugens. Vanuit een joods-ethisch perspectief wordt echter het verspreiden van schadelijke waarheden als meer verwer pelijk gezien omdat de schade van laster nog kan worden hersteld door de leugens te ontkrachten en de waarheid aan het licht te bren gen. Zo wordt tegelijk ook de lasteraar als leugenaar aan de kaak gesteld. Is de pijnlijke roddel daarentegen waar, dan is het kwaad onherroepelijk geschied en kan het slachtoffer zich onmogelijk daartegen verdedigen tenzij door leugens te vertellen of door op zijn beurt kwaad te spreken over de roddelaar. Terwijl dus in het geval van laster het kwaad kan ophouden door een positieve han deling, namelijk door de waarheid te tonen, doet het verspreiden van 'ware' roddels alleen maar meer leed ontstaan. Het is ook een principiële kwestie: de waarheid die evenals schoonheid en goed heid van een geestelijke natuur is, mag nooit voor slechte doelein den gebruikt worden, bijvoorbeeld om iemand te kwetsen of om iemand in een slecht daglicht te plaatsen. Daaruit wordt dan de ethische gedragsregel afgeleid dat men een negatieve of pijnlijke waarheid slechts mag vertellen wanneer anderen gevaar lopen en dan nog slechts aan de betrokkenen zelf. De motivatie is dan immers gericht op het vermijden van onnodig lijden. Te1ushkin illustreert de praktische relevantie daarvan aan de hand van de reikwijdte van het beroepsgeheim van bijvoorbeeld priesters, art sen en therapeuten. Schending van het beroepsgeheim is ethisch slechts verantwoord wanneer derden daadwerkelijk gevaar lopen door het verzwijgen van de toevertrouwde informatie.

Niet alleen de gevaren van roddel, maar Ook de netelige kwes tie van het geven van kritiek op iemands gedrag wordt in het boek behandeld: wanneer is kritiek gepast en wanneer niet? Waar ligt de scheidslijn tussen verantwoorde positieve kritiek en bemoeizucht? Telushkin geeft op dit vlak advies dat sterk doet denken aan wat Mr Judge ons adviseert in brief XXV, p.167 van Brieven die mij geholpen hebben. Alvorens men iemand bekritiseert, aldus Telushkin, dient men zichzelf de volgende drie vragen te stellen:

  1. Hoe voel ik mij ten aanzien van de kritiek? Geeft het bekritiseren mij plezier of doet het me pijn?
  2. Geeft mijn kritiek specifieke oplossingen voor een verandering ten goede?
  3. Zijn mijn woorden niet bedreigend maar geruststellend?

Door terug te grijpen op de mystieke wijsheid van het joden dom sluit de inhoud van het boek aan bij de aloude esoterische tra ditie en de goddelijke ethica die daarmee samenhangt. Volgens de Theosofie is ware ethica immers niet een kwestie van menselijke conventies of van cultuur, maar een praktische en noodzakelijke uitdrukking van de wetten van de natuur. Moest ethica niet in metafysica geworteld zijn, dat wil zeggen, moesten ethische waar den niet hun bestaansreden vinden in onveranderlijke waarheden, dan zou ethica alleen maar kunnen worden herleid tot wat mensen met elkaar afspreken. Karma houdt rekening met ware ethica en niet zozeer met menselijke afspraken, anders zou de mens karma opzij kunnen zetten. Dat geldt ook voor de ethica van het denken en het spreken. Het feit dat roddel maatschappelijk aanvaardbaar is geworden - denk maar aan de roddelpers - doet geenszins de gevol gen ervan teniet of maakt het niet minder ethisch onverantwoord. De theosofische ethica verwijst regelmatig 'naar het belang van woorden. Zo citeert H.P. Blavatsky in De Geheime Leer de volgende uit spraak van P. Christian:

'Wanneer onze ziel (denkvermogen) een gedachte schept of oproept, grift het teken dat die gedachte weergeeft, zich in het astrale fluïdum, dat de vergaarbak en om zo te zeggen de spiegel is van alle manifestaties van het zijn. Het teken drukt de idee uit: de idee is de (verbor gen of occulte) kracht van het teken. Het uitspreken.van een woord is het oproepen van een gedachte, \en deze naar buiten brengen: het magnetische vermogen van de menselijke spraak is het begin van iedere manifestatie in de occulte wereld... Het woord (verbum) of de spraak van iedere mens is, terwijl hij zich daarvan geheel onbewust is, een ZEGEN of een VLOEK.'

H.P. Blavatsky voegt hieraan toe:

'Als esoterische lering, die wordt aanvaard door alle oosterse scholen van het occultisme, is dit volkomen waar.' 2

In Licht op het Pad krijgt de leerling de volgende regel voorgeschreven:

'Voordat de stem kan spreken in het bijzijn van de Meesters, moet zij 't vermogen om te wonden hebben ingeboet.'

Als toelichting wordt onder meer het volgende gezegd:

'Een mens moet, wil de stem 't vermogen om te kwetsen hebben ingeboet, dat punt hebben bereikt, waar hij zichzelf slechts ziet als één uit de grote scharen, die leven; één der zandkorrels her- en derwaarts gespoeld door de zee van het deinend bestaan... Wanneer hij dit beseft, geeft de mens zijn vermeende persoonlijke recht~ op, wat . deze ook zijn mogen. Dat neemt één scherpe angel weg, die alle.gewon~ mensen gemeen hebben.' 3

W.Q. Judge onderstreept het belang van woorden en de wijze waarop we deze dagelijks gebruiken als volgt:

'Woorden zijn dingen... Op het lagere gebied van de maatschappelijke omgang zijn zij dingen, maar zielloos en dood, omdat de conventie, waaraan zij ontsproten, hen onvoldragen baarde. Maar als wij ons van die conventie losmaken, krijgen zij leven in verhouding tot de werke­lijkheid en de zuiverheid van de gedachte, die er achter staat. Daarom zijn zij in de omgang tussen twee studeren den werkelijke dingen en die studerenden moeten er goed over waken, dat de basis van die omgang volledig begrepen wordt. Laten wij die levende boodschappers, die woorden genoemd worden, met zorg gebruiken.' 4

Met Words that Hurt. Words that Heal heeft Joseph Telushkin een belangrijk en uiterst praktisch boek geschreven over een onder werp dat in onze samenleving veel te weinig aandacht krijgt: de hygiëne van denken en spreken. Aan eenieder die de helende kracht van woorden beter wil leren kennen en toepassen door het schadelijke gebruik ervan af te zweren, wordt dit boek sterk aange raden.

Hilde Van Oost

Voetnoten

2 H.P.Blavatsky,De Geheime Leer. deel I, TheosophicaI University Press, Pasadena, Den Haag, 1988, Eng. pp.93-94.

3 Licht op het Pad, Stichting Theosofie, Amsterdam, pp.83-8S.

4 W.Q.Judge, Brieven die mij geholpen hebben. Stichting Theosofie, Amsterdam, 1971, p.28

 

 Onze uitgaven zijn integraal op voorraad bij o.a. Boekhandel Kirchner en het Plein van Siena.

 

 


Zoeken in de volledige tekst van onze boeken
Make a Free Website with Yola.